Reis naar werk niet langer ‘privézaak’: deze rechterlijke uitspraak verandert alles

Je dagelijkse reis naar je werk. Velen zien dit als een routine, iets dat ‘niet’ onder de werktijd valt. Maar wat als die logica niet altijd hout snijdt? Een recente uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft aangetoond dat reizen inderdaad als werktijd kan worden beschouwd. Dit verandert de spelregels voor zowel werknemers als werkgevers fundamenteel.

Het gaat hier niet om loze woorden, maar om een concrete juridische zaak die de grens tussen persoonlijke tijd en door de werkgever gecontroleerde tijd opnieuw definieert. De vraag is simpel, maar de implicaties zijn enorm: moet een werknemer zijn vrije tijd opofferen als hij tijdens de reis feitelijk geen controle heeft over zijn eigen agenda?

De zaak die de definitie van werktijd herschreef

Centraal in deze uitspraak stonden werknemers van een Spaans bedrijf die geen vaste standplaats hadden. Zij moesten zich op vaste tijden op een specifieke locatie melden, om vandaaruit met een bedrijfswagen naar verschillende projecten te worden gebracht. Na afloop van hun dienst volgde dezelfde reis terug.

Het cruciale detail lag niet zozeer in het rijden zelf, maar in de controle. Het reisschema, de duur en het vervoersmiddel werden bepaald door de werkgever. Werknemers konden tijdens deze reizen hun eigen activiteiten niet vrij plannen. Hoewel deze reizen in de contracten niet expliciet als werktijd waren opgenomen, werd de heentijd wel meegeteld, maar de terugreis niet. Dit verschil leidde tot het geschil.

Waarom het Hof zei: dit is werktijd

Het Hof van Justitie van de EU heeft duidelijk gemaakt: wanneer een werknemer geen vaste werkplek heeft en tijdens de reis onder het gezag van de werkgever valt, wordt deze tijd beschouwd als werktijd. Het gaat dus niet simpelweg om het feit van reizen, maar om de mate waarin een werknemer de vrije beschikking heeft over zijn eigen tijd tijdens die reis.

Reis naar werk niet langer 'privézaak': deze rechterlijke uitspraak verandert alles - image 1

Als een werknemer verplicht is zich op een bepaalde plaats en een bepaald tijdstip te bevinden, en reist met een door de werkgever aangewezen vervoermiddel, dan is dit geen ‘persoonlijke reis’ meer. Het wordt een integraal onderdeel van het werkproces, zelfs als de werknemer op dat moment enkel als passagier zit.

Wie wordt hierdoor getroffen, en wie profiteert?

Deze jurisprudentie is bijzonder relevant voor werknemers die op verschillende locaties werkzaam zijn. Denk aan monteurs, thuiszorgverleners, technische dienstmedewerkers, servicepersoneel – iedereen aan wie de werkgever voorschrijft waar en wanneer zij moeten zijn, kan met deze nieuwe juridische realiteit te maken krijgen.

Het praktische gevolg hiervan is dat de reistijd meegeteld moet worden bij de berekening van maximale werkuren en rustperiodes. Dit kan niet alleen leiden tot mogelijke extra compensatie, maar ook tot striktere beperkingen voor werkgevers bij het plannen van diensten.

Deze uitspraak herinnert ons aan een minder aangename, maar belangrijke waarheid: werktijd is meer dan alleen de uren die je ‘op locatie’ of ‘op kantoor’ doorbrengt. Wanneer de controle bij de werkgever ligt, kan zelfs een reis een verlengstuk worden van de werkplek, en de grens tussen werk en vrije tijd is veel fragieler dan velen dachten.

Wat betekent dit voor jouw situatie? Heb je te maken met reistijd die niet als werk wordt beschouwd, maar waar je wel alle kanten mee op moet? Deel je ervaringen in de reacties!

Plaats een reactie