De energiefacturen in Europa zorgen voor een constante bron van zorg, en de verschillen tussen steden zijn schrikbarend. Terwijl de piek van de energiecrisis van 2022 achter ons ligt, laat een recente analyse zien dat de kosten voor elektriciteit nog steeds enorm uiteenlopen. Sommige hoofdsteden betalen meerdere keren zoveel als andere, en wanneer je rekening houdt met het besteedbaar inkomen, wordt de financiële druk voor veel huishoudens pas echt immens. Dit is waarom je nu moet weten waar de echte verschillen zitten.
Van Kiev tot Bern: Prijzen Die Tot 4 Keer Verschillen
Begin januari 2026 lieten de elektriciteitsprijzen in Europese hoofdsteden een enorm spectrum zien. De laagste prijs noteerden we in Kiev, met ongeveer 8,8 cent per kilowattuur. Aan de andere kant van het spectrum stond Bern, waar je maar liefst 38,5 cent betaalde. Ter vergelijking: het EU-gemiddelde kwam uit op zo’n 25,8 cent per kilowattuur.
De Duurste Steden
- Bern: 38,5 cent/kWh
- Berlijn, Brussel, Dublin, Londen, Praag: Meer dan 36 cent/kWh
De Goedkoopste Steden
- Kiev: 8,8 cent/kWh
- Boedapest, Podgorica, Belgrado: Aanzienlijk lager
Waarom Zijn de Verschillen Zo Groot?
Experts wijzen erop dat de kosten niet alleen bepaald worden door de opwekkingskosten. De energiemix van een land – de verhouding tussen fossiele brandstoffen en hernieuwbare energie – speelt een cruciale rol. Daarnaast beïnvloeden commerciële inkoopstrategieën van leveranciers en uiteenlopende prijsmodellen de consumentenprijs significant. Vergeet ook de belastingen en netwerkkosten niet; in sommige steden maken deze een aanzienlijk deel uit van de eindprijs.
Koopkracht: De Wereld Op Z’n Kop
De pure prijs in euro’s vertelt echter niet het hele verhaal. Als we de elektriciteitsprijzen omrekenen naar koopkrachtpariteit, verandert het beeld drastisch. Bern, dat op papier een van de duurste was, zakt aanzienlijk op de ranglijst. Aan de andere kant zien we dat Boekarest, waar de prijs in euro’s relatief laag lijkt, bij de duurste steden behoort wanneer de lokale inkomens worden meegerekend.
Dit betekent dat huishoudens in veel Centraal- en Oost-Europese landen een groter deel van hun budget kwijt zijn aan energie, zelfs als de prijs per kilowattuur lager lijkt dan in West- of Noord-Europa.

Stockholm: Duur, Zelfs Voor de Welvarenden
Een opvallend geval is Stockholm. De Zweedse hoofdstad behoort tot de duurste steden, zowel in absolute euro’s als aangepast voor koopkracht. Zelfs voor huishoudens met een bovengemiddeld inkomen vormen de energierekeningen een serieuze uitdaging.
In januari 2026 kostte aardgas in Stockholm zo’n 35 cent per kilowattuur – ruim 13 keer meer dan in Boedapest. Dit komt deels door de zeer kleine aardgasmarkt in Zweden. Slechts ongeveer 77.000 huishoudens zijn aangesloten op het gasnet, waarvan een groot deel deel uitmaakt van het geïsoleerde netwerk rond Stockholm.
Lage Prijzen Betekenen Niet Altijd Lagere Last
Deze cijfers schetsen een paradox: steden met goedkope energieprijzen in euro’s zijn niet per se het gunstigst voor de inwoners. Lagere lokale lonen kunnen er zelfs voor zorgen dat relatief goedkope energie een onhoudbare last wordt.
Energie-analisten zijn het erover eens: zolang er geen grotere harmonisatie van de energiemarkten en een vermindering van belastingverschillen in Europa plaatsvindt, blijft de elektriciteitsprijskaart ongelijk. Uitzonderingen zoals Stockholm en de situatie in Oost-Europa zullen de discussie over sociale rechtvaardigheid en energiezekerheid blijven voeden.
Wat vind jij van deze prijsverschillen in Europa? Voel je de druk van de energiekosten in jouw regio?